Queensrÿche – The Verdict

Jaar van Release : 2019

Label : Century Media/Sony Music

Lang nadat gitaarheld Jimi Hendrix er geboren werd en lang voor de stad het mekka werd van de opkomende grungeboom, werd het Amerikaanse Seattle automatisch geassocieerd met Queensrÿche. Vanaf 1984 kende de band grote successen met o.a. The Warning, Rage For Order, Operation:Mindcrime en Empire. Meer dan dertig miljoen albums werden verkocht van deze verrukkelijke progressieve heavy metal band. De keerzijde van de medaille heeft de pers in latere jaren breed uitgesmeerd, maar met zanger Todd La Torre (Crimson Glory) heeft de band een tweede (of derde) jeugd ontdekt. 

Het heeft weinig zin om nostalgisch te blijven vergelijken met de albums uit de glorieperiode. Queensrÿche is geëvolueerd en zal daardoor nooit nog een nieuwe Warning of Operation Mindcrime maken. Toen al geleek geen album op het vorige en ondertussen zijn er heel wat personeelswisselingen gebeurd.

We kennen allemaal het verhaal van hoe Queensrÿche en zanger Geoff Tate in 2012 op onvriendelijke wijze uit elkaar gingen. Sindsdien zijn er twee kampen actief waarbij het kamp dat de naam Queensrÿche mag dragen nu aan haar derde album toe is. Van de oorspronkelijke line-up zijn nu alleen Eddie Jackson en Michael Wilton nog over. Parker Lundgren is ondertussen ook een soort van oudgediende en Todd LaTorre is de enthousiaste nieuweling die zich als een vis in het water voelt binnen deze gelederen.

Het grootste verlies was niet Geoff Tate, maar wel gitarist Chris DeGarmo, de beste songsmid, die memorabele nummers op zijn naam heeft staan. Sindsdien zijn ze minder baanbrekend en succesrijk. Gelukkig heeft Michael Wilton ook een groot aandeel aan auteursrechten en is het straf dat hij er vrijwel alleen in slaagt om de identiteit te bewaren.

Hoewel ik goed te spreken was over Condition Hüman, het vorige album van Queensrÿche, ben ik zeer benieuwd welke kant Queensrÿche opzal gaan. We kregen natuurlijk al wat voorgeschoteld de afgelopen maanden en dat komt vooral door de singles Man the Machine en Dark Reverie. Hierin hoor je toch deels het oude Queensrÿche invloeden, met een mix van Crimson Glory. En dit is niet natuurlijk ook niet zo vreemd, wanneer je leest dat Todd La Torre (ex-Crimson Glory) zich op dit album meer met het schrijven van nummers heeft bezig gehouden dan voorheen.  

Een spiksplinternieuw album van Queensrÿche is nog steeds iets om naar uit te kijken.Het is alweer het 15e studio album van de band die op dit album opereert in de volgende samenstelling: zanger Todd La Torre, gitaristen Michael Wilton en Parker Lundgren en bassist Eddie Jackson.

 The Verdict’ is het derde album van deze legende sinds de komst van drummer Todd La Torre. Ho, wacht even, hij was toch die ‘nieuwe’ zanger? Jazeker, maar op dit album heeft de beste man ook doodleuk de drums ingespeeld. Zou Queensrÿche het ontbreken van weer één van de oudgedienden, Scott Rockenfeld, kunnen opvangen en een sterk album kunnen afleveren?

Je wist misschien al dat Casey Grillo van Kamelot op de drumkruk van oerlid Scott Rockenfield zat tijdens de laatste toer omdat laatstgenoemde vanwege de geboorte van zijn zoon niet wilde toeren, maar dat Rockenfield nu ook op het album ontbreekt en Queensrÿche volgens de bio uit nog slechts vier man bestaat, geeft te denken. Gelukkig is La Torre een steengoede drummer met meer ervaring dan je zou denken en weet hij inmiddels prima wat wel en niet bij de band past. We vergeten dat Todd reeds dertig jaren een onderlegd drummer is en ondertussen de Queensrÿche-stijl ademt. Hij was dan ook te verkiezen boven live-interim Casey Grillo (Kamelot) en hij heeft Scott geïmiteerd, rekening houdend met zijn typische nuances, zoals hij ook Geoff Tate heeft doen vergeten. Je hoort vooral het verschil in snellere passages, waar Scott gewoonlijk meer flitst en gevarieerder is in zijn trommelkeuzes, terwijl Todd het soberder houdt. Vermoedelijk werd wel hetzelfde drumstel gebruikt, want de sound is vrijwel identiek, met dank aan producer Zeuss.

‘The Verdict’ doet dan ook zeker niet onder voor zijn twee voorgangers. Vraag me echter wat de beste songs zijn van die albums en ik zou ze niet uit het blote hoofd kunnen opnoemen. Dat was in de begindagen van de band wel anders. En daar wringt het dan ook een beetje. Wat je voorgeschoteld krijgt is heerlijke muziek, duidelijk herkenbaar als ‘de oude’ Queensrÿche, maar eerlijk is eerlijk: de magie en de eeuwigheidswaarde van de eerste vijf albums ontbreekt. La Torre heeft weliswaar hetzelfde bereik als de jonge Geoff Tate, maar mist de pure emotie die Tate in de nummers kon leggen. Ook bezit niemand van de huidige lineup de songwriterfinesse van oud-gitarist Chris DeGarmo. Of laat ik me nu te zeer meeslepen door het verleden? Pleur je alle sentimenten en verwachtingen echter uit het raam, dan houd je een prima album over met vooral een heel sterke tweede helft. Aan de hand van de singles kon al worden opgemaakt dat de band op The Verdict de wat duistere sound van het vorige album zou doorzetten. Albumopener Blood of the Levant bevestigt dat vermoeden. Het is een lekker up-tempo nummer dat ideaal is om een album mee te openen en je in de juiste stemming krijgt voor de rest van de songs. Overrompelend vanaf het begin, dat is de beste omschrijving van Blood Of The Levant. Meteen vanaf de eerste tonen wordt je overspoeld door een grote golf van muzikaal geweld. De gitaristen vechten met de bas en drum om de snelste melodielijnen lijkt het. Het is alsof een stel jonge honden losgelaten is in de studio, het nummer klinkt fris en enthousiast. Bassist Jackson geeft ook toe dat de inbreng van de twee nieuwkomers, La Torre en Lundgren, zeker voor nieuwe inspiratie heeft gezorgd. De leden hebben totale vrijheid voor het schrijven en opnemen van nummers.

 Man the Machine trekt dat gevoel nog even door. Man The Machine is één van de singles die voor aandacht moest zorgen. Stevige riffs, snel gitaarwerk en hoge vocalen vormen in dit nummer een mooie combi.

 En dan komen we bij het nummer Light-Years. Dit nummer is een wat trager nummer dat leunt op donkere, trage gitaarlijnen. Light-Years ademt Fates Warning, zelfs de diepe zang gelijkt op Ray Alder en de riff vertoont gelijkenissen met I Am van Darkness in a Different Light. Het treft dus dat beide bands tezamen de Amerikaanse tournee doen.

Zij die Scott missen, dienen goed te luisteren naar het geïnspireerd trommelwerk op Inside Out. Deze song combineert het uptempo van NM156 met de spirit van Warning. In het nummer Inside Out gaat het tempo af en toe flink omlaag waarna de rustige partijen weer aanleiding geven tot een interventie van de gitaristen.

Het jachtige Propaganda Fashion rockt je van de sokken en de zang met een sloom/langzaam tintje.

We treffen met Dark Reverie nog wel een nummer dat zeker het benoemen waard is, maar het kostte een tijdje voordat de klasse van dat nummer tot mij doordrong. In eerste instantie wist ik niet goed wat ik hiermee aan moest. Telkens als het een bepaalde richting op leek te gaan, gebeurde juist iets anders en leek het nummer te verzanden in een herhaling van zetten. Ik durf het nummer nu wel in het rijtje klassieke ballads van Queensrÿche te zetten. Dark Reverie is een soort Silent Lucidity, maar dan met ballen. Een sfeervolle semi-powerballade, met in de finale heerlijk tweestemmige gitaren.

Het intro en de ingehouden, ritmische drums van Bent nemen je terug naar het album Rage for Order. Een donkere, progressieve track, met typisch harmonisch gitaarwerk. In Launder The Consience trekt de band alle registers open. Passioneel gezongen, vol tempowisselingen, breaks en twinsolo’s, smaakvol afgerond met een stemmige piano, annex full band-outro.

Op dit derde album komt de nieuwe line-up tot volle ontplooiing, met hun beste werk tot op heden. De muziek heeft misschien wat meer tijd nodig om te bezinken omdat er meer vlees aan zit, maar de composities en het spel zijn top. Ze trekken de progressieve lijn van vorig album door, met meer diepgang, vernuft en afwisseling.

Met driekwartier aan muziek is dit album opnieuw aan de korte kant.

De tien nummers op dit album geven de band weer de glans van weleer terug. Na een periode met onrust heeft de band zich langzaam toegewerkt naar het niveau uit de beginjaren toen er naam gemaakt werkt. Dit album is weer ouderwets genieten.

 


Darkwater – Human

Jaar van Release : 2019

Label : Ulterium Records

Eens in de zoveel tijd brengt het Zweedse Darkwater een nieuw album uit. De in 2003 geformeerde melodieuze progressieve metal band lanceerde in 2007 haar debuutalbum The Earth To Witness. De exposure leverde optredens op in Europa en de Verenigde Staten. Nadat Pain Of Salvation-basgitarist Simon Andersson tot de band was toegetreden volgde in 2010 het album Where Stories End. Optredens werden geboekt op ProgPower USA, ProgPower Europe en het Brainstorm Festival. Daarna bleef het lange tijd angstvallig stil.

De stilte werd in december van 2018 doorbroken met de aankondiging van het derde album Human, wat op 1 maart 2019 officieel verschijnt. En ook nog eens in dezelfde bezetting van  Henrik Båth (zang), Markus Sigfridsson (gitaar), Simon Andersson (basgitaar), Magnus Holmberg (toetsen) en Tobias Enbert (drums).

Darkwater wordt vaak vergeleken met Seventh Wonder, Circus Maximus en Evergrey. Daar is lastig een speld tussen te krijgen wanneer je de muziek van deze bands oppervlakkig met elkaar vergelijkt. Maar een goed luisteraar, zoals ik, zal na beluistering van Human opvallen dat Darkwater een groei heeft doorgemaakt. Waar eerder genoemde referenties in mijn beleving stil zijn blijven staan in hun ontwikkeling en wellicht hun plafond al hebben bereikt, legt Darkwater de lat met gemak een stuk hoger. En gaat daar ook overheen.

Op dit 78-minuten klokkende album staan tien nummers met een speelduur van zes tot bijna twaalf minuten. Daarmee stellen ze hun fans en de liefhebbers van melodieuze progressieve metal niet teleur. In vergelijking met het voorgaande album zijn nummers melodieuzer, veelal steviger maar zeker nog toegankelijker dan dat ze al waren. Men slaagt er in om de complexe muziek simpel te laten klinken. Wellicht komt dat door het overvloedige gebruik van synthesizers. Die variëren van overweldigende toetsen koren op In Front Of You en Alive Pt. II tot prachtige en vaak wervelende solo’s op opener A New Beginning en afsluiter Light Of Dawn. Ook daar wordt wat mij betreft het verschil met genre-genoten gemaakt.

De nummers op Human zijn over het algemeen lang, kennen veel breaks en tempowisselingen. Toch verliest men zichzelf nergens in complexiteit of ingewikkeld gedoe. De muziek ligt gewoon makkelijk in het gehoor en heeft een natuurlijke flow (The Journey). En klinkt daarmee ook eerlijk. Wat mij betreft nog een verschil met Seventh Wonder en vooral Circus Maximus. De vaak oorstrelende gitaar- en toetsen solo’s zijn functioneel en komen exact op het juiste moment. Wat betreft timing zit dat ook goed. Ook in de twee lange nummers Reflection Of A Mind en Turning Pages. Niet zonder toeval uitschieters boven het toch al hoge niveau. Maar ook de zang van Henrik Båth is werkelijk om in te lijsten. Ik was al een groot fan van deze man, die in mijn beleving sterk wordt onderschat. Een standbeeld is te veel eer, een eervolle vermelding daarentegen wel op zijn plaats.

Human is melodieuze progressieve metal van de bovenste plank. Het zal voor de Zweden een helse klus worden om deze schijf te overtreffen. Maar daar ligt tegelijk de uitdaging, waarvan we over een paar jaar de uitkomst zullen weten. Ik kan niet wachten.

 


Dream Theater – Distance Over Time

Jaar van Release : 2019

Label : inside out music

Progressieve metal van de hoogste kwaliteit, het nieuwe album van Dream Theater is hier. Na de musicalmetal van ‘The Astonishing’ uit 2016 keert het droomtheater weer terug naar de basis. The Astonishing dat in januari 2016 het levenslicht zag, ging Dream Theater op tournee met een mammoetproductie die de fans in twee kampen verdeelde. Net zoals bij het album waren er voor- en tegenstanders. Vervolgens werd er getoerd om het doorbraakalbum Images And Words (1992) te herdenken en misschien is het wel tijdens deze retrospectieve dat de muzikanten nood kregen aan een terugkeer naar wat wilder en toegankelijker materiaal. Distance Over Time heeft in ieder geval gelukkig terug een heavy inborst.

Het is alweer het veertiende album van deze band waarvan eerdere album hoge ogen gooiden. Albums die hoog scoorden in de hitlijsten, platina en gouden awards, een opname in de Long Island Music Hall of Fame in 2010, hier komen superlatieven tekort. Distance Over Time is het eerste album voor een nieuw label, en voor het eerst in twintig jaar hebben de bandleden vier maanden bij elkaar in één pand geleefd tijdens het schrijven en opnemen van een album. Dit week af van eerdere processen waar de bandleden elkaar in de studio zagen en daar dan de nummers doornamen.

 De heren van Dream Theater hebben de koppen bij elkaar gestoken om met een album naar buiten te komen dat een teamprestatie en speelplezier toont. Maar liefst vier maanden (waarvan één gezamenlijk) verbleven ze in een schuur die fungeerde als oefenruimte en studio. In achttien dagen schreef het kwintet de songs die op Distance Over Time (let op de d en de t in de titel) terecht zijn gekomen.

Het jammen heeft solide songmateriaal opgeleverd, dat deels teruggrijpt op het verleden. Af en toe herinneren de ideeën aan de tijden van vooral Awake, Train Of Thought, Octavarium of Dream Theater. Het album pakt een stuk steviger uit dan The Astonishing (2016) en ademt veel meer. Verwacht dus heavy riffs, maar tevens is er veel ruimte voor melodie. De nummers zijn uiteraard van een technisch hoog niveau zoals je mag verwachten van de Amerikanen, maar ze zijn opmerkelijk compact, toegankelijk en blijven gefocust op het liedje zelf, dus zonder te ontaarden in egostreling, al gaan de muzikanten in Pale Blue Dot nog even los..

 Gitarist John Petrucci vertelt dat er geen afleiding van buitenaf was terwijl ze bij de Yonderbarn Studios verbleven. De bandleden waren op elkaar aangewezen, er werd voor elkaar gekookt en er was genoeg vermaak tussen de schrijfsessies door. Eigenlijk was het ideaal, het was mooi weer en het is iets bijzonders dat je als band samen kunt jammen, samen schrijven en samen bourbon drinken. Zanger James LaBrie vergelijkt het vrolijk met een zomerkamp.

Het organische geluid is op conto te schrijven van gitarist John Petrucci die ook als producer optrad, maar ook de mix van Ben Grosse en de mastering door Tom Baker zorgen voor een globaal vette sound. De band woonde vier maanden samen in de Yonderbarn studio. Ik ben er zeker van dat ze terug dichter bij elkaar staan en daar vloeit een humaner geluid uit. De afstand tussen band en publiek, die The Astonishing toch wel schiep, is verdwenen en de teksten, hoewel geen concept, gunnen je een kijk in het hart van de vijf muzikanten. De productie en mix zijn helder en krachtig. Eindelijk zijn de baspartijen van John Myung weer eens goed te horen op een Dream Theater-album. Toch is het John Petrucci die veelal de smaakmaker is op Distance Over Time met onder meer zijn riffs in Paralyzed en Fall Into The Light en solo’s in Paralyzed. Het geluid van zijn gitaren (hij pakt ook regelmatig zijn zevensnarige instrument erbij) is prachtig, zoals blijkt uit het zeer overtuigende middelste deel van Fall Into The Light met akoestische partijen en epische, harmonieuze twinleads. Ook de melodieuze solosecties in Barstool Warrior en het overtuigende At Wit’s End springen eruit, alsmede het soleerwerk in het proggy S2N.

En LaBrie? Zijn bijdragen komen het beste uit de verf in bijvoorbeeld Paralyzed, Barstool Warrior, At Wit’s End en de ballad Out Of Reach. Het is jammer dat er gesleuteld en gedubd is met betrekking tot bepaalde partijen, met name in de hogere regionen. Het is dan ook niet over de hele lengte een genot om naar hem te luisteren. Hetzelfde geldt voor de instrumentatie. Die is solide, maar je gaat er niet altijd van op het puntje van je stoel zitten. Zoek je uitdaging? Er zijn weinig technische interludes en als ze er al zijn, duren ze niet lang. De langste en de meest uitdagende vind je in het slotstuk Pale Blue Dot, samen met S2N en At Wit's End één van de hoogtepunten van deze release en tevens één van de favorieten van Rudess.

 ‘Distance Over Time’ is namelijk een album dat qua songwriting en sfeer veel beter aansluit bij eerder werk dan de voorganger. Dat Dream Theater een keer iets anders wilde proberen, is dapper en begrijpelijk, maar ‘The Astonishing’ was het gewoon niet helemaal. Dit nieuwe album laat een vertrouwd geluid horen. De complexiteit uit de begindagen is door de wat strammere vingers en armen van de mannen (verval moest afgeschaft worden!) wat minder aanwezig, maar de klasse druipt er nog aan alle kanten vanaf. Vooral ook omdat Dream Theater de song altijd centraal heeft staan.

 Het nieuwe album begint met het snoeiharde Untethered Angel, rake droge klappen van drummer Mike Mangini doorkruisen het gitaargeweld van Petrucci die werkelijk adembenemende partijen speelt op dit podium. Hij geeft hier een geweldige orgel-en-gitaarpartij weer met toetsenist Jordan Rudess.

 Het volgende „Paralyzed” en zijn sterke is een makkelijk in het gehoor liggend nummer zonder al te veel poespas. De raggende riffs van Paralyzed krijgen eveneens gezelschap van sterke zangmelodieën en een mooie, melodieuze gitaarsolo.

  Met „Fall Into The Light” dat hierop volgt, gooit DT er een schepje bovenop. Dit nummer is met z’n snelle riffjes en vele tempowisselingen het eerste hoogtepunt van ‘Distance Over Time’. Op dat moment heeft John Petrucci alweer ruimschoots laten horen wat een geweldige sologitarist hij toch is. Virtuoos maar altijd met een ongekend oor voor melodie en met een heerlijke souplesse, na de nodige heftigheid is er een sensitief intermezzo met tokkelende gitaren die uitmonden in een gevoelige gitaarsolo, vooraleer over te gaan in een driftige toetsenparade.

 Het vierde nummer „Barstool Warrior” is voor de mainstream, misschien nog wel het meest aantrekkelijk vanwege het hoog inhaken-en-meezingengehalte.

 Als vervolgens de riff van „Room 137” erin knalt, ben je meteen weer wakker. Room 137 is het eerste nummer dat Mangini voor de band geschreven heeft, De gelijkenis met de hoofdriff van Nava­rone’s „Lonely Nights” is trouwens opmerkelijk.

 Ben je fan van de meer technische kant van Dream Theater, dan kom je richting het einde steeds meer aan je trekken tijdens het prachtige „S2N”. S2N (Signal to Noise) is een nummer waar bassist John Myung zijn signatuur aan gegeven heeft, met een flinke basopener en een aantal groovy bassolo’s.

Het lange „At Wit’s End” met zijn merkwaardige fade-out/fade-in/fade-out-einde. At Wit’s End is de aanklacht tegen geweld tegen vrouwen. Het is een intens beeld van de naweeën van misbruik dat geschetst wordt in het nummer.

Out Of Reach is een ballad waar LaBrie de teksten voor schreef, het is een rustpunt in de verzameling snoeiharde, muzikaal overweldigende nummers. Er komt met het hele album een enorme muur van geluid op je af met onnavolgbare patronen bekleed met harde drumslagen en gierend gitaarwerk waarna alles bij elkaar komt in Blue Pale Dot.

De absolute uitschieter is echter „Pale Blue Dot”, waarin de band ouderwets tekeergaat en waarop Jordan Rudess en Petrucci samen sprintjes trekken alsof het 1992 is. Dit nummer refereert naar het gelijknamige boek van Carl Sagan, waarin een beschouwing wordt gegeven over de aarde ten opzichte van het onmetelijk grote universum. Een reflectie op de nietigheid van de mensheid en onze verantwoordelijkheid om meer vriendelijk met elkaar en met moeder aarde (vanuit de ruimte een vage blauwe stip) om te gaan. Muzikaal is Pale Blue Dot ook het hoogtepunt van dit album met fantastische riffs, uitdagende duels tussen gitaar en toetsen, langere instrumentale stukken met complexe structuren en imposante drum- en baslijnen.

Distance Over Time keert weer een beetje terug naar de band uit de beginperiode. De composities zijn sterk en doorregen met onverwachte wendingen in melodie en volume. Als het album afgelopen is, wil je als luisteraar maar één ding: nog een keer luisteren!

Want het mag wel duidelijk zijn dat er, ondanks het menselijke karakter van deze schijf, op een bovenmenselijke manier gemusiceerd wordt.

 


Last In Line - II

Jaar van Release : 2019

Label : Frontiers Records

Na het overlijden van Ronnie James Dio waren er diverse bands die – met muzikanten uit verschillende Dio-bezettingen – met zijn materiaal op tournee gingen. Dio Disciples – de enige met bemoeienis van Dio’s weduwe Wendy – speelt nog steeds covers, Last In Line besloot gaandeweg eigen materiaal te gaan spelen en kwam in 2016 met het album Heavy Crown.

Na nog geen maand voor de release overleed bassist Jimmy Bain. Daardoor zijn er nu nog twee Dio-leden actief in Last In Line: gitarist Vivian Campbell (Def Leppard) en drummer Vinny Appice. Voor liveoptredens werd Phil Soussan (o.a. Ozzy Osbourne) opgetrommeld om de plek van Jimmy Bain in te nemen. Wat mij betreft werd op het debuut de show gestolen door zanger Andrew Freeman (Lynch Mob en recentelijk Devil’s Hand met Mike Slamer). Een klassieke bluesy hardrockzanger die tot mijn grote vreugde niet probeerde Ronnie James Dio te imiteren.

Last In Line werd een paar jaar geleden opgericht door drie leden uit de klassieke Dio lineup ten tijde van de eerste albums ‘Holy Diver’ en natuurlijk ‘Last In Line’ en niet te vergeten ‘Sacred Heart’, hierna nam Vivian Campbell als eerste afscheid van Dio als gitarist. Deze zal helaas nooit meer terugkeren naar Dio.  Jimmy Bain daarintegen speelt nog op 3 studio albums meer namelijk ‘Dream Evil’, ‘Magica’ en ‘Killing The Dragon’, daarnaast is zijn bijdrage te vinden op het live album ‘Intermission’.  Ook Vinny Appice speelt nog mee op 3 studio albums te weten: ‘Dream Evil’, ‘Strange Highway’ en ‘Angry Machines’, daarnaast is zijn bijdrage te vinden op het live album ‘Intermission’ en ‘Inferno – Last in Live’. Appice is later nog wel herenigd met Ronnie James Dio in the band Heaven And Hell, of te wel het Black Sabbath van de Dio era.

  En het is volgend jaar al echt tien jaar geleden dat de grote meester zelf zijn laatste adem uitblies! Gelukkig is zijn muzikale erfgoed in goede handen bij Appice en Campbell. De opvolger van Bain is trouwens Phil Soussan geworden. Samen met zanger Andrew Freeman trekt de band het hoge niveau door van het debuut.

Het heeft uiteindelijk drie jaar geduurd tot de opvolger verscheen, getiteld II. Last In Line gaat door waar het op Heavy Crown mee begon. Vanaf de eerste tonen van „Black Out The Sun” tot de wegstervende solo’s in het slotnummer „The Light” is het genieten, met Freeman als excellerend boegbeeld.

Meestal mid-tempo, een paar keer wat sneller (Year Of The Gun, Electrified), een enkele trage beuker (Blackout The Sun) (hallo „Shame On The Night”!)

 Vivian Campbell is een gitarist die zijn stijl bijelkaar raapte bij gitaristen waar hij mee speelde (vraag maar aan Adje van den Berg) en die daardoor geen heel herkenbaar eigen geluid heeft, ook op II niet. Toch rijgt hij bij Last In Line de smakelijke riffs en solo’s weer aan elkaar. Ja, het is een beetje Dio, een beetje Whitesnake, een beetje Def Leppard (maar dan heavy), maar vooral klopt het heel erg. De hooks en riffs zijn er (dat loopje in Gods And Tyrants!), Appice en Soussain bewegen mee met melodie en het ritme en geven het een lekker ouderwetse feel. Niks ProTools, niks AutoTune, niks kleine stukjes aan elkaar plakken, het klinkt als een band.

Daarbij kan een vergelijking met Dream Child, die andere band met ex-Dio- en ex-Ozzy-bandleden, niet uitblijven. Waar Dream Child op het vorig jaar verschenen debuut de nadruk legde op de zwaardere kant van Dio, laat Last In Line een luchtiger en opener geluid horen. En waar Dream Child met Diego Valdez een zanger heeft die als het kleine broertje van Ronnie James klinkt, geven Appice en Campbell hun zanger alle ruimte om zichzelf te zijn. Juist die authenticiteit geeft Last In Line een kleine voorsprong. De muziek op ‘II’ is echter onmiskenbaar als die van Dio: het logge drumwerk van Appice is direct herkenbaar en Campbell strooit nog steeds met heerlijke riffs en smaakvolle solo’s.

De productie was weer in handen van Jeff Pilson (Dokken) en dat is er ook zo een die in zijn producties liever het organische van een band laat horen, in plaats van met de laatste stilistische of audiotechnische modes mee te gaan. Tegelijkertijd heeft hij ook gezorgd voor prachtige details, zoals het heerlijke basgeluid aan het begin van False Flag.

Dat ouderwetse geluid komt ook terug in de zang van Andrew Freeman. Luister maar eens naar die schreeuw aan het begin van Year Of The Gun. Hoeveel zangers hoor je dat tegenwoordig nog doen? Dat soort magistrale schreeuwzang is vaker te horen op dit album en daarmee laat hij een heel andere kant horen dan het al even indrukwekkende gegalm op Devil’s Hand. De band klinkt sowieso veel meer als een klassieke bluesy hardrockband uit de jaren zeventig en tachtig dan de meesten, maar het stemgeluid van Andrew Freeman maakt het helemaal af. Is het origineel? Niet echt, maar wel goed en doordacht.

Van alle bandjes waar ex-Dio-leden weer samenwerkten – en dat zijn er nogal wat, zoals Dream Child – blijf ik Last In Line de leukste vinden. En uiteindelijk is een nieuwe band toch leuker dan een tributeband of bands die al dertig jaar uitsluitend op dezelfde songs teren. Last In Line maakt de belofte van het eerste album volledig waar.



Evergrey – The Atlantic

Jaar van Relaese : 2019

Label : AFM Records 

Evergrey heeft altijd een nog veel grotere status verdiend dan wat hen ten deel valt. Weliswaar heeft de band in haar lange bestaan soms woelige wateren doorzwommen, maar de laatste albums vertonen een gerevitaliseerde band.

Met het album Hymns For The Broken maakte Evergrey in 2014 een soort van doorstart door. Met de terugkeer van gitarist Henrik Danhage en drummer Jonas Ekdahl leek de spirit van weleer weer terug te zijn en was de vlam van Evergrey weer ontstoken. Een vlam die sindsdien niet meer uit is gegaan. Sterker nog, de Evergreyvlam is alleen maar feller gaan branden. Het album The Storm Within uit 2016 was zelfs het meest succesvolle album van Evergrey sinds de oprichting van de band. (Met daarop 2 daverende tracks in duet met onze eigen en Nightwish-zangeres Floor Jansen, respectievelijk de songs ‘In Orbit’ en ‘Disconnect’.) Brengt de Zweedse Progressive Metal band Evergrey eind januari hun elfde studio album ‘The Atlantic’ uit. 

Na Hymns For The Broken (2014) en The Storm Within (2016) is dit het derde deel van een trilogie over de avonturen in het leven, wat grotendeels neerkomt op een kijk op de goede en slechte kanten van alle relaties die je aangaat. Het leven is een reis over de oceaan naar onbestemde horizonten, vandaar de titel The Atlantic. Het thema water komt dan ook veelvuldig voor. Met ‘The Atlantic’ heeft Evergrey niet alleen weer een topalbum afgeleverd, maar ook een van hun meest afwisselendste.

Het vervolg van het avontuur start met een bijna acht minuten durend epos dat luistert naar de naam A Silent Arc. Het is een ijzersterke opener van het album. Het heeft alle ingrediënten in zich van een compositie van hoog niveau. Het spel tussen kracht en rust is perfect uitgebalanceerd en op alle fronten wordt hier gewerkt aan spanningsopbouw, kracht en souplesse. Het drumwerk van Jonas is goed stevig naar voren gezet en Henrik weet iedere noot met precisie te plaatsen in het geheel terwijl toetsenist Johan Niemann de ruimtes ertussen benut om zijn keyboardgeluid naar voren te schuiven.

Net bijgekomen van dit juweel start de band Weightless. Het zwaardere karakter dat het album in zich heeft, barst los. Weightless heeft een sterke powerriff in de basis en ook hier wordt dit ondersteund door een duidelijk hoorbaar en prettig drumgeluid. Zoals we gewend zijn van Evergrey zorgt het stemgeluid van Tom S. Englund voor de nodige emotie en de balans in de compositie. Heerlijk is de progressieve inslag die naar het einde toe wordt ingezet. Dat komt trouwens ook mooi terug in A Secret Atlantis. Deze composities kan zich qua karakter enigszins meten aan Weightless. Johan soleert er flink op los in een samenspel met de gitaarsolo van Henrik en het stemgeluid van Tom is zo vol emotie neergezet dat het bijna voelbaar is in mijn complete borststreek. En alles is daarbij gebouwd op een stevige zware groove.

Zwaar maar minder snel volgt Evergrey de stroom in All I Have dat zwaar leunt op een donkere deken van kracht. Het is niet het enige rustpunt op The Atlantic. Zo’n wonderschone ballad zoals op The Storm Within zit er dit keer niet in, maar met Departure komt Evergrey toch in de buurt. Het intro is vrij langzaam ingezet met in de hoofdrol de piano en de basgitaar. De compositie ontwikkelt zich als een rustig baken in de oceaan van metal en kan rustig een ballad genoemd te worden met een hoofdrol voor Tom die begeleid wordt door een akoestisch gitaargeluid of piano.

Het atmosferische intermezzo The Tidal opent de weg naar End Of Silence met typische verhalende zang en vertrouwde charme. Want Tom is heel het album in grote vorm met zijn smachtende verzuchtingen, waarin wanhoop omgezet wordt in triomf. Of toch niet? En elke song heeft een moment supréme wanneer Henrik zijn hart laat spreken in weergaloze heavy gitaarsolo.

Verderop blijkt Currents uitstekend te passen in het totaalbeeld en het plaatje van het Evergreygeluid en heeft alle kenmerkende elementen in zich. De compositie krijgt naar het einde toe een wat episch karakter waarbij het accent ligt op het gitaargeluid dat op de achtergrond door de keyboards/zang van een decor wordt voorzien. In The Beacon is het vooral Johan Niemann die de aandacht naar zich trekt in de onderliggende muziekbasis. Ook hier ligt het tempo wat laag, maar heeft het die onderhuidse spanning waarmee Evergrey overtuigt.

 Met This Ocean zet Evergrey alle zeilen nog even bij en wordt er flink vaart gemaakt. This Ocean sluit hiermee een album af dat in het verlengde ligt van de eerdere twee albums. Sterk, groovend, krachtig en mede door het stemgeluid van Tom heel aansprekend.

De band heeft de afgelopen jaren veel getoured en ook veel festivals gedaan en dat hoor je duidelijk terug in de sound.

Het is duidelijk dat de band veel inspiratie heeft opgedaan door goed te luisteren naar Metalcore, Doom en Symfonische Gothic Metal bands. Uitstekend hoe de band deze sound heeft verwerkt in hun eigen stijl en muziek. ‘The Atlantic’ is daardoor een prima album met een sterke song – en soundkwaliteit en wat mij betreft het beste Evergrey album tot nu toe.


Inglorious – Ride To Nowhere

Jaar van Relaese : 2019

Label : Frontiers Records

Door Classic Rock Magazine werd Inglorious vorig jaar in eigen land uitgeroepen tot 'the future of British rock', nadat de band met het tweede album ''II'' op nummer 1 binnenkwam in de UK Rock Charts. Ook buiten Engeland maakte de bluesy hardrock formatie al goede sier, met name door internationale tours met bands als Steel Panther, The Dead Daisies, The Winery Dogs, Last In Line en Whitesnake. Door deze laatste band werd Inglorious en met name zanger Nathan James zwaar beinvloed, net als twee an

ere 'iconic rock and roll bands from the 1970's': Deep Purple en Led Zeppelin. Vorig jaar speelde de band nog voor een uitzinnige menigte op het Graspop festival en nu tonen deze Britten hun magistrale 'classic rock' kunsten op hun derde album ''Ride To Nowhere''.

Het opnemen van een album is pas het halve werk. Meteen daarna volgen de promotie en de bijbehorende tournee. Bij Inglorious gaat dat met horten en stoten.

Dit derde album van de Britse hardrockbelofte had natuurlijk een feestje moeten worden. Maar voor de release pakte zowel de beide gitaristen en bassist hun biezen.

Na het vorige album II vertrok al gitarist Wil Taylor. Met het album Ride To Nowhere is zijn opvolger Drew Love zijn  beoogde plaatsvervanger, maar deze is bij de band  maar voor een korte periode. Het album is nog niet opgenomen en Drew Love had de band alweer verlaten, samen met gitarist Andreas Eriksson en bassist Colin Parkinson. Het was aan zanger Nathan James om de negatieve publiciteit op te vangen. En die was er. Genuanceerd als fans kunnen zijn – *kuch* – kreeg James de volle laag, terwijl er tal van redenen kunnen zijn voor het vertrek van bandleden. James en drummer Phil Beaver hebben inmiddels een nieuwe band om zich heen verzameld, maar ze moeten nog wel op tournee met het nieuwe materiaal dat nog door de oude band is geschreven en ingespeeld.

Vertrokken bandleden of niet, Nathan James is nog steeds het volstrekte middelpunt. Hij heeft nogal wat muzikale naamgenoten, maar deze heeft ervaring bij Uli Jon Roth en Trans-Siberian Orchestra en in de categorie bluesy hardrock zijn er niet veel betere zangers te vinden. Hij is duidelijk beïnvloed door zangers als David Coverdale en Glenn Hughes zonder een kopie neer te zetten. Integendeel, hij is echt herkenbaar.

 De songs zijn degelijk, hoewel het refreintje-coupletje-refreintje is, met veel ruimte voor Nathan James’ uithalen. Gitarist Wil Taylor vertrok omdat hij meer grungy muziek wilde maken (volgende week komt het debuut van zijn band Deever uit) en het is wel logisch dat daar geen ruimte voor was in Inglorious. De band mag dan spreken van een duidelijke verandering in de sound, ik hoor het niet, zeker niet op de eerste helft van het album. De productie is weer door de band en net als de vorige keer is de mix gedaan door Kevin Shirley (vaste producer van Joe Bonamassa) en laten we wel zijn: de stem van Nathan James is veelzijdig, maar in de bluesy hardrock is het galmen wat de klok slaat. Daar past een bepaald soort song bij en dat is precies wat je hier krijgt. Perfect uitgevoerd met het geluid helemaal in balans, dat wel.

En toch… De band is meer dan competent, maar een Doug Aldrich, Paul Gilbert of Nuno Bettencourt zit er niet tussen. Het duurt daarom tot halverwege tot de band zich een beetje uit het keurslijf van de formulerock weet te worstelen. I Don’t Know You is een prachtige powerballad, waarop de soulkant in James’ stem naar voren komt. Ook het titelnummer is erg fraai en laat een kant horen die op de eerste helft van het album vrijwel ontbreekt. De afsluiter, het akoestische Glory Days is een pareltje. De bonustrack is een pianoversie van I Don’t Know You, met een zangeres erbij, die het een randje Trans-Siberian Orchestra geeft.

De belofte van het debuut maken ze ook op Ride To Nowhere niet helemaal waar, omdat ze pas op de tweede helft van het album de gebaande paden durven te verlaten. Laten we hopen dat de nieuwe band, met de pas 19-jarige Braziliaanse gitarist Danny Dela Cruz, daarop kan voortbouwen. Samenvattend het gitaarwerk heeft een prominentere rol gekregen en heeft daarmee een wat steviger geluid gekregen. Tekstueel gezien hebben deze een persoonlijker karakter dan voorheen. De nummers staan als het bekende huis. De enorme succes factor bij Inglorious blijft zanger Nathan James. Ride To Nowhere stijgt zonder meer weer boven de middelmaat in dit genre uit, maar van grote stappen vooruit is nog geen sprake. En dat had ik eigenlijk wel een beetje verwacht.