Reviews 2022/2021

Poverty’s No Crime-A Secret To Hide

Jaar van Release: 2021

Label: Metalville

A Secret to Hide is alweer het achtste studio album van progressieve metal band Poverty’s No Crime. Als groot liefhebber van zowel progressieve rock en progressieve metal ontdek ik graag nieuwe bands binnen dat genre, ik had eerlijk gezegd nog niet van deze band gehoord ondanks dat ze al bijna dertig jaar bestaan. Het voorgaande album, Spiral of Fear, dat uitkwam in 2016, was succesvol en werd gevolgd door een tour met Psychotic Waltz. Daarna kreeg de band de smaak weer te pakken en doken ze meteen de studio in om aan dit nieuwe album te werken. Het duurde ruim vijf jaar voordat dit album af was, wat laat zien dat de band echt moeite in hun werk steekt en albums willen uitbrengen waar ze trots op kunnen zijn.

Ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan brengt de Duitse groep Poverty’s No Crime zijn achtste album “A Secret To Hide” uit. Het kwintet stond nooit bekend vanwege de productiviteit. Gelukkig duurde het nu ‘slechts’ vijf jaar sinds hun vorige album “Spiral Of Fear”. “De band is weer helemaal terug”, memoreerde zanger en gitarist Volker Walsemann in het persbericht waar dit album werd aangekondigd. Zo’n opmerking doet natuurlijk goed, al riekt dat naar een cliché. De aanvankelijke ‘straight’ progmetal a la Dream Theater is doorontwikkeld naar een meer melodieuze variant. Die koers werd in 2003 ingezet op “The Chemical Chaos“. Vanaf dat album hanteert Poverty’s No Crime een stijl waar melodie en variatie meer tot zijn recht komen. Niet geheel ontoevallig is de bezetting sinds dat album niet meer gewijzigd. De invloeden van Dream Theater zijn nog hoorbaar en ook flarden Vanden Plas en Threshold komen voorbij. Dat blijkt een sterke formule van een hoorbaar ingespeelde bezetting die ook de tand des tijds in dit redelijk uitgekauwde genre heeft doorstaan.

Dat ze kwaliteit boven kwantiteit willen is goed te horen op dit album. Vanaf de eerste akkoorden op albumopener Supernatural is dit al een prettig album om naar te luisteren. De instrumentalen vallen vooral op en zijn erg strak. De vocalen zijn ook prettig om naar te luisteren, al zijn het niet de standaard progressive metal vocalen die ik gewend ben. Daarnaast wordt ook nog bewezen dat deze band allesbehalve eenzijdig is. Supernatural is, ondanks dat het geen baanbrekend nummer is, een prima opener. Poverty’s No Crime heeft intro’s van een minuut of twee tot standaard verheven (liefhebbers: lees deze column). In deze intro hoor je een thema van toetsen en gitaar wat aan Knight Area doet denken. Dat thema komt gaandeweg het nummer weer terug. Voor het overige is het klassieke progressieve metal met een fijne gitaarsolo halverwege, al komt de zang van Volker Walsemann wat geforceerd over.

Het tweede nummer Hollow Phrases heeft een lekker ritme, wat door heel het nummer klinkt. Ondanks dat die twee nummers net wat anders klinken, begin je al meteen door te hebben wat de signature sound van Poverty’s No Crime inhoudt. Het album vormt namelijk een mooi geheel. Hollow Phrases doet meer en beter recht aan het geluid van de groep. De zang is niet geforceerd en komt daardoor beter tot zijn recht. Het melodieuze nummer is doorspekt met Neil Peart-achtige percussie en drum fills. Daarnaast is er afwisseling in sfeer en tempo.

Flesh And Bone heeft in tegenstelling tot de andere nummers een donker geluid. Na de onvermijdelijke intro passeert het nodige (dubbele) gitaarwerk met zware riffs. Daardoor neigt het naar heavy metal, al zorgen de swingende toetsen voor compensatie. Dat de band een groep getalenteerde muzikanten is die weten hoe ze goed op elkaar af kunnen stemmen. Vooral het keyboardspel van Jörg Springub en het gitaarspel van Marco Ahrens vallen erg op. Ze vullen elkaar erg goed aan.

Ook Grey To Green kent een lange intro met afwisselend gitaarwerk. Er is geen tot weinig ruimte voor toetsen. Intermezzo’s met frivole gitaarsolo’s en een grommende bas zorgen voor de goed getimede rustpunten in dit bijna negen minuten durende nummer.

Dat het met de timing van solo’s op gitaar en toetsen wel goed zit hoor je in het powerballad-achtige Within The Veil. Zowel gitarist Marco Ahrens als toetsenist Jörg Springub weerstaan de verleiding er een notenkraker-race van te maken. Deze mannen verstaan duidelijk hun vak.

Het volgende nummer is The Great Escape. Afgezien van wat onduidelijk gesproken teksten is deze track volledig instrumentaal. In zes minuten trekt een fraaie mix van Threshold en Rush, als mede een afwisseling van solo’s aan je voorbij. Met als hoogtepunt een Alex Lifeson-achtige gitaarpartij.

Poverty’s No Crime heeft patent op nummers van gemiddeld zeven minuten met op elk album een uitschieter richting de tien minuten. De laatste tien minuten op dit schijfje zijn ingeruimd voor In The Shade, een nummer met twee gezichten. Waar afwisseling doorgaans de overhand heeft, zijn de eerste minuten voorspelbaar en neigen naar eentonigheid. Een intermezzo met fraai dubbel gitaarwerk zorgt voor de omslag. Het is de overgang waar wordt doorgeschakeld naar een hogere versnelling en intensiteit.

De intro van Schizophrenic zou zo thuishoren op de soundtrack van een horrorfilm, al is de intro maar van korte duur. Het nummer wordt al snel redelijk melodisch met strakke riffs. Qua vocalen ben ik ook erg over dit nummer te spreken. Het klinkt op sommige momenten bijna als doommetal. Tot slot het laatste (en tevens langste) nummer op het album, In the Shade. Dit nummer deed me een beetje aan het eerste nummer op het album denken, wat het een goede album afsluiter maakt. Het lijkt alsof de band daarmee de cirkel rond wilde maken.

Ondanks dat ik nog niet bekend was met Poverty’s No Crime, heb ik enorm genoten van dit album. Het is een album wat allesbehalve eenzijdig is, maar toch een geheel vormt met getalenteerde muzikanten die weten waar ze mee bezig zijn.


The End Machine – Phase 2

Jaar van Release: 2021

Label: Frontiers

The End Machine – Phase 2 coverWaar tal van muzikanten vijf jaar of langer tussen hun albums hebben zitten, blijft gitarist George Lynch in hoog tempo nieuw werk uitbrengen. Alleen al de afgelopen paar jaar waren er albums van KXM, Sweet & Lynch, Dirty Shirley, Lynch/Pilson en The End Machine. Nu hij vanwege de negatieve connotaties het gebruik van de naam Lynch Mob heeft beëindigd, zou The End Machine wel eens zijn belangrijkste bandproject kunnen worden. Phase 2 is het nieuwe album. Wanneer voormalige Warrent zanger Robert Mason bij Lynch Mob van gitarist George Lynch aansluit heeft Lynch een goede zanger gevonden. Drummer Mick Brown is vrij van Ted Nugent tour en Foreigner bassist Jeff Pilson werkt als producer aan nieuw materiaal. Samen vormen ze Dokken, alleen is Don Dokken vervangen door Robert Mason. Inmiddels is Mick Brown met pensioen en is zijn broer Steve Brown de vervanger.

Jeff Pilson en Lynch kenden hem al uit de Dokken-jaren met Mick Brown en zijn stijl bleek ook weinig te verschillen van die van zijn broer en dan is één en één twee. Voor de rest veranderde er weinig. Nog steeds schrijven Lynch, Pilson en Robert Mason de songs en met een inmiddels vermaard producer als Jeff Pilson in de gelederen is de vraag wie het album gaat produceren ook een no-brainer.

En inderdaad gaan ze lekker door waar ze met het debuut gebleven waren. Smakelijke, goed in het gehoor liggende hardrock, met het gitaarspel van George Lynch en de klassieke eighties-hardrockstijl van zingen van Mason als blikvangers. Bij de twaalf tracks zit er werkelijk niet één vuller tussen.

Het debuutalbum was een heerlijk album. Met dit album weet men een goed vervolg te brengen. Heerlijke American AOR rock dat even wat steviger is dan de poprock van Bon Jovi.

De band heeft meer tijd genomen om elkaar weer te vinden en dat is goed gelukt.  Dit album is wat feller het lijkt of Mason meer zijn drive heeft gevonden. ‘Crack the Sky’, ‘Blood and Money’ en ’Devils Playground’ zijn heerlijke songs en dan horen we ook dat dit wel een superband is geworden. Met een heerlijke knuffelrock song ‘Scars’ weet Lynch een potentiele hit te schrijven. Lekkere drives, geen moeilijk gedoe en toch lekker vet.

Net als bij het vorige album worden er geen verrassende nieuwe paden betreden, maar is het wel weer iedere keer bovengemiddeld goed. Lynch is zo’n gitarist die de riffs zo uit zijn mouw lijkt te schudden, en die vervolgens in het eindproduct voorziet van het ene na het andere detail, of het nu een proggy loopje, een vlijmscherpe mini-solo is. Waar Lynch de details niet aanbrengt zijn het wel fraaie koortjes of een fijn knorrende basgitaar. Deze mannen zijn verdomd goed in hun vak, en dat hoor je eraan af.

Net als het debuut is Phase 2 klassieke hardrock in een wat modernere productie. Het snoepje van de dag worden ze er niet mee, maar als ze dit niveau vast kunnen houden zullen ze het wel een stuk langer uithouden. En terecht.


Thunder – All The Right Noises

Jaar van Release: 2021

Label: BMG

Sinds zanger Danny Bowes, gitarist Luke Morley en drummer Harry James na het verscheiden van hun poprockbandje Terraplane in 1989 begonnen met Thunder is er heel wat gebeurd.

Thunder is die Britse sympathieke rockband, die met vette bluesrock doorspekte hardrock zichzelf op de kaart zette middels hun debuutalbum ‘Backstreet Symphony’ in 1990. Dit album en het opvolgende album ‘Laughing On Judgement Day’ uit 1992 verkochten erg goed en leverde de band veel uitnodigingen op voor support act en Special Guest optredens bij de grote jongens als Aerosmith, ZZ Top, Def Leppard, Whitesnake en Bon Jovi.

In het begin leek het succes aan te komen waaien, maar dat momentum beklijfde niet echt. Raar genoeg brak de band eigenlijk nooit echt buiten Europa door. Japan en hun eigen Engeland blijft natuurlijk een ander verhaal. In Nederland kwam de band zelfs niet verder als het clubcircuit.  In 1998 besloot de band voor de 1e keer (dit gebeurt zelfs 2 keer) de spreekwoordelijke handdoek in de ring te gooien, maar na een aantal jaren begon het vooral bij de frontmannen Danny Bowes en Luke Morley toch weer aardig te kriebelen.

Uiteindelijk waren het als eenmalig bedoelde concerten die leidden tot nieuw materiaal in 2015 met het Wonder Days-album. Sindsdien draait Thunder weer lekker, zij het met wat minder ambities. Met All The Right Noises zijn ze inmiddels toe aan het vierde album sinds die reünie.

Het vorige studio-album ‘Rip It Up’ van de Britse formatie Thunder dateerde alweer van 2017 en dus werd het weer eens tijd voor wat nieuw materiaal van dit vijftal. Natuurlijk hadden ze in 2019 ook nog de plaat ‘Please Remain Seated’ op de markt gebracht, maar dat was een unplugged album van eerder werk van de band. Op deze ‘All The Right Noises’ zijn een elftal fonkelnieuwe nummers te vinden, waarop de hardrock-elementen van de vroegere Thunder weer de boventoon voeren. De bluesinvloeden die er op het vorige album duimendik bovenop lagen, zijn nu grotendeels verdwenen en de keuze voor een meer tradioneel en melodieus hardrock-geluid is in mijn beleving erg goed uitgevallen.

Met het nieuwe album ‘All The Right Noises’ verwent Thunder ons met hun 13e studio album. Met dit album is het weer ouderwets genieten, zoals we gewend zijn van deze Britten. Alles komt weer aan bod wat deze band juist zo interessant maakt, heerlijke riffs, lekkere melodieuze rocksongs, en natuurlijke de prachtige ballads met de geweldige karakteristieke stem van de altijd vrolijke zanger Danny Bowes. De band is gelukkig alweer een aantal jaren op de goede weg!

Net als bij het laatste album met nieuw materiaal is alles geschreven door Morley, en hij nam bovendien als altijd de productie voor zijn rekening. Het album is ook in dezelfde studio opgenomen en last but not least met dezelfde muzikanten als sinds 1996, in een mix van ook weer een bekende naam in Thunderland, Mike Fraser. De grootste verandering? Een nieuwe platenmaatschappij, dat is het wel. Inderdaad, de heren zijn gewoontedieren. Dat hoor je ook in het materiaal. Het is in de basis altijd dezelfde blues geörienteerde hardrock met de nodige invloeden van Paul Rodgers, Bad Company en Free. En ja, zo zijn er meer bandjes. Maar die hebben niet de klasse van deze heren. Danny Bowes is altijd volkomen herkenbaar, met veel inhoud en volume.

Het is bijna uit te tekenen hoe het ongeveer gaat klinken. Het gitaarwerk van Luke Morley staat lekker op de voorgrond en zoals gewoonlijk zingt Danny Bowes de spreekwoordelijke sterren van de hemel. De plaat opent ijzersterk met de eerste single ‘Last One Out To Turn Out The Lights’ en het catchy refrein is na enkele luisterbeurten al niet meer uit je hoofd te krijgen. Een betere opener hadden ze niet kunnen kiezen, want het blijkt een lekker opzwepend en catchy track te zijn. Vooral de solo van Luke Morley, de achtergrondzang en de blazerssectie maakt dit een heel tof nummer. Live gaat dit nummer het zeker goed doen. Met ‘Destruction’ laat de band zich van een wat donkere kant horen. De zang is ook wat trager en zwaarder, en de sound is voor Thunder begrippen ook redelijk heavy. Lekker zwaar drumwerk en weer een sublieme gitaarsolo van Morley. Het opvolgende ‘The Smoking Gun’ heeft een ‘Wanted Dead Or Alive’ vibe. Door het bluesy akoestisch gitaarwerk waan je je zelf bijna in een cowboyfilm. Opvallend is ook de ‘talk box’ solo, erg leuk gedaan. ‘Going To Sin City’, de 1e single, is een lekkere rocker. Door het meezingbare en catchy refrein geeft deze track een party, of misschien zelfs wel een Rock Anthem gevoel. Eenmaal gehoord, en je krijgt dit nummer gegarandeerd niet meer uit je systeem! Live zal dit nummer ook erg goed aan gaan slaan. Met ‘Don’t Forget To Live Before You Die’, schotelt de band ons een heuse Led Zeppelin tribute voor. Voorzien van een vette ‘Kashmir Riff’ en vooral lekker loodzwaar drumwerk, worden de 2 Britse overleden drumbeesten John Bonham en Cozy Powel eens een dikke veer in de kont gestoken! Top!

Thunder is geen Thunder zonder ballads. ‘I’ll Be The One blijkt weer zo’n parel te zijn, met in de hoofdrol zanger Danny Bowes, die begeleid wordt door akoestische gitaar en piano. Het lijkt wel of de band patent heeft op dit soort nummers, want met ‘St. George’s Day’ leveren ze weer zon geweldige semi-ballad af. Opvallend aan dit nummer zijn de prachtige strijkers die het nummer net dat extra geeft! Kippenvel gegarandeerd!

Opvallendste track is hoogstwaarschijnlijk ‘You’re Gonna Be My Girl’, wat bij de eerste tonen gelijk een Britse Rock Sound heeft. Men hoort hier duidelijk de invloeden van een andere grote Britse band, ‘The Faces’.  Met ‘Young Man’, ‘Force Of Nature’, en ‘She’s A Millionairess’ krijgen we nog een paar vette up-tempo rocksongs voor onze kiezen met stevig en opzwepende gitaar riffs en heerlijke toegankelijke refreinen. Eigenlijk is er nergens een zwak moment te bespeuren en druipt de kwaliteit van het gehele album af. Het song materiaal is ijzersterk, de sound is kristalhelder en zowel de muzikanten als de zanger zijn in absolute topvorm, dus het moge duidelijk zijn dat ook dit dertiende Thunder studio-album een schot in de roos is. Het blijft voor mij dan ook een volslagen mysterie waarom deze band, die het zeker niet onverdienstelijk heeft gedaan, niet het grote succes heeft geoogst dat ze op basis van hun geweldige songmateriaal absoluut verdiend hadden. Eenieder die kickt op kwalitatief hoogstaande melodieuze hardrock met fantastische vocalen kan dan ook niet om deze ‘All The Night Noises’ heen.

All The Right Noises maakt de volledig titel waar.


Evanescence – The Bitter Truth

Jaar van release: 2021

Label: BMG

De Amerikaanse rockband Evanescence bestaat ruim 25 jaar in 2021. Ze wonnen twee Grammy-Awards en verkochten wereldwijd meer dan 23 miljoen albums. Het nieuwe album met de titel ‘The Bitter Truth’ wordt 26 maart gelanceerd. Op dit 5e studio-album (dat via Sony Music uitkomt) staan 12 nummers. Er zijn al een paar singles uitgebracht, waaronder ‘Yeah Right’. Deze heeft op You Tube al meer dan 1 miljoen views. Alles bij elkaar heeft de band op You Tube al ruim 2 miljard(!) views.

Fans kijken al een hele tijd uit naar ‘The Bitter Truth’, want het is alweer tien jaar geleden dat er een album werd uitgebracht met nieuwe nummers, dit was ‘Evanescence’. Hierna verscheen ‘Synthesis’ (2017). Hierop stonden maar twee nieuwe nummers. De overige nummers waren orkestrale versies van oudere nummers ‘Synthesis’ kreeg heel terecht lovende recensies. Want de oudere nummers hadden een prachtige, soms licht klassieke, metamorfose ondergaan.  De verwachtingen voor ‘The Bitter Truth’ zijn om verschillende redeneren hoog gespannen. Evanescence is trouw gebleven aan hun kenmerkende epische geluid, de singles die zijn uitgekomen vallen dus goed in de smaak bij de fans. Dat komt niet alleen door de goede tracks, maar ook omdat ‘The Bitter Truth’ geproduceerd is door Nick Raskulinecz (onder andere Foo Fighters en Rush).

Evanescence is dan na tien jaar eindelijk terug met een regulier studio-album. Na de vorige langspeler Evanescence (2011) was het een tijdje stil rond de band. Amy Lee was op zoek naar zichzelf en nam de tijd voor andere dingen dan de rockster uithangen. Sinds enkele jaren is de formatie rond haar weer veelvuldig in het nieuws. Zo trad de band in 2017 op in Tilburg en op Graspop en een jaar later stond deze in AFAS Live te Amsterdam voor een speciale Synthesis-show met orkest. Na afloop van die tour kwamen de bandleden bij elkaar en waren ze het er snel over eens dat de opvolger The Bitter Truth steviger moest zijn dan zijn voorganger. Back to the roots, maar tevens modern.

En zo klinkt de vierde full-length (Synthesis niet meegerekend) ook. Het is een mix van de voorgaande albums met een moderne sound en productie (Nick Raskulinecz). Hoewel de muziek raakvlakken heeft met het verleden, staat het volwassen The Bitter Truth vooral op zichzelf. Het is de stevigste collectie songs in de discografie. Dat komt doordat de metal- en rockelementen prominenter dan voorheen in de mix staan. Zo krijgt de ritmesectie veel ruimte. Zodanig dat de plaat af en toe flink beukt, zoals tijdens de breakdowns in “The Game Is Over” en “Use My Voice, twee van de vijf singles.

Sommige teksten zijn persoonlijk, ze vormden als het ware een therapiesessie voor Amy. Als je eenmaal dicht bij je gevoel bent gekomen, is het niet zo moeilijk om in grote lijnen een persoonlijke tekst te schrijven. Maar het is, aldus Amy, wel moeilijk om precies de juiste woorden te vinden, en deze met de juiste emotie te zingen. Ze probeert om uit een slechte situatie of gebeurtenis iets goed te halen. Natuurlijk had de Covid pandemie invloed op het album, er is meer passie en meer diepgang in de nummers gekomen.

Die vijf singles geven een goed idee van wat je kunt verwachten. Alleen “Yeah Right” (grunge meets het elektronische Muse) is een wat vreemde eend in de bijt. “The Game Is Over” behoort samen met het politiek getinte “Use My Voice” en de powerballad “Wasted On You” tot de sterkste tracks. Het refrein van “Better Without You” doet de oude tijden nog het meest herleven.

De Amerikaanse groep heeft echter meer te bieden dan de hits. Na de triphop-achtige intro is het namelijk “Broken Pieces Shine” dat direct indruk maakt. Daarnaast kan ook “Feeding The Dark” (dat triphop en alternatieve rock combineert) op veel positieve reacties rekenen.

Amy Lee klinkt sterker dan ooit tevoren. Luister eens naar het prachtige, filmische rustpunt “Far From Heaven”. Ze is nog altijd uit duizenden herkenbaar met haar door Beth Gibbons (Portishead) en Björk geïnspireerde, emotionele voordracht. De negenendertigjarige zangeres varieert uitstekend. Bovendien komt ze met veel refreinen die al snel blijven hangen. Tevens zijn de backingvocalen mooi uitgewerkt. Daarbij speelt gitariste Jen Majura (sinds 2015 vast bandlid) een belangrijke rol. Met name in “Feeding The Dark” stuwen de verschillende vocale bijdragen elkaar tot grotere hoogte. In “Use My Voice” krijgt het duo hulp van veel gastzangeressen, waaronder Taylor Momsen, Lzzy Hale, Lindsey Stirling en Sharon den Adel.

“The Bitter Truth” laat een sterk en gemotiveerd Evanescence horen. Het album bevat veel energie en de nummers hebben veel overtuigingskracht. Er is veel variatie, maar de volgorde van de tracklist voorkomt dat het een verzameling losse nummers is. Alleen Yeah Right staat wat op zichzelf. Met het bijna Prodigy-achtige Take Cover staat er slechts een enkel minder memorabel nummer tussen. Onder de streep overheerst een gevoel van bovengemiddelde tevredenheid. Evanescence is terug met een zwaar, krachtig en hoopgevend album.


Evergrey – Escape of the Phoenix

Jaar van Release: 2021

Label: AFM Records

 Wanneer in het gezegende jaar 1995 ene Tom Englund de band Evergrey oprichtte, hadden er weinigen gedacht dat diezelfde band anno 2021 nog steeds springlevend zou zijn. Niet alleen zag dit collectief het levenslicht in Gothenburg – nota bene het epicentrum van de melodeath – maar daarnaast stond het progressieve genre op dat ogenblik nog nagenoeg in de spreekwoordelijke kinderschoenen. 25 jaar later is het geesteskind van Tom Englund te beschouwen als een van de grootste progressieve metalbands binnen het hele circuit, al moeten we jammer genoeg toegeven dat de band, en bij uitbreiding het subgenre in haar totaliteit, geheel onterecht nog steeds flink ondergewaardeerd wordt. De heren van Evergrey laten het alleszins niet aan hun hart komen en zijn op 26 februari met Escape of the Phoenix toe aan album nummer 12, dat zal verschijnen via AFM Records. Het gaat de laatste jaren behoorlijk goed met Evergrey. Zeker na de terugkeer van gitarist Henrik Danhage en drummer Jonas Ekdahl, in 2014, laten de platen van de Zweedse progressieve/melodieuze metalformatie een hervonden spelplezier horen. Met deze oudgedienden terug in de gelederen is de muziek van het gezelschap ook weer een stuk technischer en uitdagender geworden

Na de trilogie heeft Evergrey zichzelf de ruimte gegeven om vanuit een blanke start Escape Of The Phoenix te schrijven.

Op muzikaal gebied is Evergrey nooit een band geweest die lang ter plaatse is blijven trappelen. Mits eerder subtiele wijzigingen is het geluid van deze heren album na album blijven evolueren, hetgeen duidelijk hoorbaar is op deze nieuwste telg. Escape of the Phoenix is zonder enige zin voor overdrijving misschien wel het beste werk van Evergrey tot op heden. Het lijkt dan ook wel of persoonlijke tegenspoed en kwaliteitsvolle muzikale composities rechtstreeks met elkaar in verhouding staan.

In plaats van te opteren voor een weemoedige intro, gooit Evergrey op deze twaalfde worp meteen de knuppel in het hoenderhok wat resulteert in een ijzersterk openingsduo waarbij het tempo voortdurend zeer hoog ligt en waarbij deze heren duidelijk maken dat ze wel degelijk garant staan voor progressive metal en niet voor progressive rock.

De eerste twee singles “Forever Outsider” en “Eternal Nocturnal” die Evergrey van het album trok, zijn meteen allebei een schot in de roos waarbij toevalligerwijs het accent in de refreinen stevig ligt op de twee woorden uit de titel. Vanaf de start van “Forever Outsider” besef ik hoezeer ik Evergrey gemist heb (hoewel het vorige werk nog geregeld gedraaid wordt). Het is alsof je een goede vriend lange tijd niet gezien hebt en je in je gesprek verder gaat waar je de vorige keer gebleven bent in plaats van het plaatsen van beleefdheidsvragen bij aanvang. Er ligt meteen een aanstekelijke melodie te wachten die met een stuwende ritmesectie als kruiend ijs vooruitschuift maar waar op het juiste moment toch ruimte is voor een ingehouden ritme. De titel en teksten zijn daarbij zeer.

 De tweede single “Eternal Nocturnal” heeft een krachtige start en het is de intense zang van Tom dat je grijpt. Er wordt prachtig toegewerkt naar het refrein dat ergens als een liefdesliedje gezien kan worden. Als strohalm in een moeilijke periode, waaraan je je kunt klampen. Vooral in het stuk waar Tom en gitarist Henrik Danhage elkaar aanvullen in solo’s ligt er een goede groove aan dit spel ten grondslag. Door heel even in te houden in het spel creëert Evergrey naar het einde een mooi contrast.

Met “Where August Mourn” zet Evergrey zich ten aanzien van dit nieuwe album helemaal op de kaart. Het is werkelijk een klassieke Evergreycompositie. Een compositie die opgebouwd is uit meerdere lagen en een borrelende spanning in zich heeft. Een compositie waarbij er een siddering door je heen gaat wanneer de muziek zich nestelt in je. Op een gegeven moment wanneer je bent meegezogen in de maalstroom van “Where August Mourn” krijgen de compositie en het tempo ineens een wending en zet een ferme onregelmatige riff de boel danig op zijn kop.

Het volgende “A Dandelion Cipher” waarbij de band in flinke vaart de compositie aftrapt, maar maakt ruimte voor innemende zang waarbij op de achtergrond het ritme voorzichtig doorgaat. Met een muzikale golf je mee op de sfeer van de melodie. Soms oplaaiend als vuur en dan weer rustiek met een stuk a-capella.

Ook titelnummer “Escape Of The Phoenix” zet de lijn door. Opvallend voor mij bij Evergrey zijn de boodschappen die de teksten herbergen. Ook in “Escape Of The Phoenix” is dat zo waarbij de Phoenix metafoor kan zijn voor je eigen leven waaruit je wilt breken. Een bewustwording van de structuur in je leven die voor sommigen als een dwangbuis aanvoelt. Henrik Danhage heeft al laten horen op het album wat een waardevolle speler hij is in de band, maar lijkt zichzelf hier te overtreffen. Hij wordt daarin gestimuleerd door het stevige drumwerk van Jonas Ekdahl die zich zeker niet onbetwist laat. Op een gegeven moment komt er een ontlading met een heimachine aan drumslagen en een zinderende gitaarsolo. De zangmelodie staat sterk als een rots in het muzikale decor. Het is intens en kent een krachtig einde.

Dat gitaargeluid is zeer bepalend ook bij “Leaden Saints” dat samen met “Run” het album afsluit. Run is een bijzondere compositie omdat het geheel wat luchtiger lijkt te klinken. Voor mij is “Run ook de compositie waarin toetsenist Rikard Zander meer op de voorgrond treedt. Daarbij is Run de compositie die ergens tussen de meer krachtige composities en de rustige in beweegt. Want ook de passie en de emotie komen sterk aan bod op Escape Of The Phoenix. Over het algemeen onderhuids ontluikt het in bijvoorbeeld Stories. Een soort van powerballad waarin zang en piano de aanzet geven voor een intense muziekervaring. Het krijgt verderop een vervolg in “In The Absence Of Sun”. Dit is van het begin tot het einde kippenvel op je lijf. Evergrey werkt vanuit de emotiebasis naar krachtige taferelen om weer terug te keren naar de basis met het gitaarspel als brug.

Wat dat betreft kan het niet op en is het Tom die in de powerballad “You From You” zich helemaal mag uitleven in een gitaarsolo die zeker niet gedomineerd wordt door snel vingerspel, maar door de gehele intentie en droefheid die “You From You” eigenlijk uitstraalt.

En daar is tenslotte “The Beholder”, muzikaal goed in elkaar en we mogen zeker niet vergeten dat het het spel van Rikard hierbij ook een rol speelt. Meegezogen in de stroom komt er een punt waarin James LaBrie zijn bijdrage laat gelden. Evergrey heeft vaker gastbijdragen wanneer een compositie erom vraagt. Hier vonden ze unaniem dat het stemgeluid van James hier paste en het is werkelijk waar. De stemmen van James en Tom passen ook uitstekend in het plaatje.

Nog geen twee jaar na het uitstekende The Atlantic is Evergrey sneller dan verwacht terug met een nieuwe plaat. Al hadden we het eigenlijk wel voelen aankomen dat een nieuwe plaat niet al te lang in de koelkast zou blijven steken. Bandleider Tom Englund heeft het namelijk nooit onder stoelen of banken gestoken dat muziek alleen maar tot stand kan komen uit gevoelens en emoties die het gevolg zijn van ramp en tegenspoed. De voorbije jaren waren voor de man in kwestie dan ook zowel op wereldwijd als op privegebied op zijn zachtst uitgedrukt geen topjaren wat geleid heeft tot deze Escape of the Phoenix.

Misschien op papier een kleine nuance, maar op muzikaal gebied een wereld van verschil. “Where August Mourns” zou bovendien zo maar eens kunnen uitgroeien tot een van de allerbeste songs van het nieuwe jaar.

Het mag gezegd worden dat Tom Englund heel het album op dreef is en dat geldt voor heel de band, zodat we hier weer een topplaat in hun oeuvre tegemoet kunnen zien. Met deze twaalfde langspeler komt Evergrey energiek en overtuigend voor de dag. Het is een plaat die een zeer breed publiek zal aanspreken.


Joel Hoekstra’s 13– Running Games

Jaar van Release: 2021

Label: Frontiers Music

Bij de naam van Joel Hoekstra denk je snel aan een Nederlander, maar dit keer gaat het om een Amerikaan met Nederlands bloed. Als gitarist heeft hij in USA gespeeld bij Nightranger en The Rock of Ages Broadway show. Tegenwoordig is hij te zien als gitarist bij Whitesnake en Trans-Siberian Orchestra. En ja, Covid tijd geeft de ruimte om zijn 3de solo- album te maken.

Denk van de Frontiers-projecten wat je wilt, maar Hoekstra, Sherinian, Allen, Franklin, Appice tezamen is méér dan een line-up van een supergroep! Dit schept uiteraard hoge verwachtingen. In tegenstelling tot op voorganger Dying To Live (2015) neemt Russell Allen de zang volledig voor zijn rekening en werd Jeff Scott Soto naar de achtergrondzang verdrongen. Een prima zet, want ik kan zonder moeite de hele dag naar Russells superieure stem luisteren.

En wat voor een! Hoekstra is in de hogere regionen belandt en dat is te horen en te zien aan de lijst van medewerkers. Naast de heerlijk bassende Tony Franklin (Blue Murder, Firm en Manfred Mann) is de basis gelegd met Vinny Appice ( Black Sabbath en DIO). Derek Sherinian (Dream Theater, Sons Of Appollo eva) schuift weer achter de toetsen en Russel Allen (Symphony X) verzorgt de zang partijen.

Daarvoor heeft Joel Hoekstra trouwens ook al 3 instrumentale albums op eigen naam voor de gitaaradepten onder ons uitgebracht. Bezig baasje, deze sympathieke en toch ook alweer 50-jarige Amerikaan uit Iowa. Waar op het vorige album ‘Dying to Live’ (2015) de vocalen nog eerlijk verdeeld waren tussen zijn TSO-maatjes Russell Allen (Symphony X, Adrenaline Mob) en Jeff Scott Soto (Malmsteen, Journey, Sons of Apollo), krijgt hier Russell Allen de voorkeur

Dan begin je album al lekker, maar moet je het ook waarmaken. Dat doet Hoekstra als geen ander. De muziek is vergelijkbaar met het vorige album, al komt deze qua songmateriaal en productie nog net wat steviger én beter uit de verf. Een kleine progressie dus, ook al blijft het een mix van invloeden van Dio, Whitesnake, Foreigner, Night Ranger etc. Geen rocket science, ook weinig onbewandelde maar veel platgetreden paden helaas. Maar deze melodieuze classic rock smaakt wél erg lekker. Het gebodene is voorzien van een mooie open productie van Joel himself, waar ook vooral de kamerbrede gitaartapijten heerlijk in het gehoor liggen.  

 In opener Finish Line is de riff geïnspireerd door DIO’s We Rock en versterkt door Vinnie Appices strakke opzwepende drums, zorgt dit direct voor een nostalgische trip naar 1984. Naast DIO wordt de muziek ook beïnvloed door het op blues gebaseerde geluid van Whitesnake en door melodieuze bands als Foreigner en Journey.

Eerste single Hard to Say Goodbye is een heel melodieuze, pakkende hardrocksong, die zo op een Allen/Lande-album had kunnen staan. Het blues rockende Heart Attack kent een Jon Lord-achtige keyboard intermezzo van Sherinian, gevolgd door een heerlijke gitaarsolo. Er zijn veel geweldige songs, maar ook een commercieel nummer zoals Lonely Days, wat een soort dertien-in-een-dozijn gevoel geeft.

Ieder nummer afzonderlijk bespreken heeft weinig zin, aangezien het niveau erg constant is, zonder echte uitschieters naar boven of beneden. Het blijft netjes binnen het rockende couplet-refrein-couplet-refrein-brug-solo-refrein stramien. Geen nummer valt uit de toon, alles klinkt even vet en overtuigend, maar iets meer avontuur of een echt rustpuntje halverwege had dit naar een nog hoger plan getild. Om er toch nog enkele highlights uit te halen: het sologedeelte in ‘Fantasy’ is prachtig, evenals het drumwerk. Het midtempo ‘Lonely Days’ ligt extra lekker in het gehoor en schuurt tegen de AOR aan. ‘Reach the Sky’ heeft het mooiste refrein en erg vet baswerk. ‘Cried Enough For You’ start als een ballad, maar gaat toch al snel richting headbang-snelheid inclusief shred-solo van de foutloos spelende Hoekstra. Eindelijk, in de afsluitende titelsong ‘Running Games’ komen dan toch de akoestische gitaren tevoorschijn en ondersteunen een Russell in een mooie en gevoelige ballad.

Op dit album valt eigenlijk weinig aan te merken. De nummers zijn op zich prima, net als de productie. Er wordt op zeer hoog niveau gemusiceerd, met een opvallende rol voor het overrompelende drumwerk van Vinnie Appice, maar ook een Sherinian krijgt alle ruimte in diverse duels met Hoekstra. Die laatste soleert vingervlug en afwisselend, met een mooie toon. Russell Allen zingt zeer overtuigend en afwisselend, wat een talent die man

 Het furieuze Take What’s Mine begint met een vrij eenvoudige vers en refrein, maar heeft de beste instrumentale passage van het album, met een uitgebreide solo-plek afgewisseld tussen Hoekstra‘s gitaar en Derek Sherinian’s keyboards. Het mooie, akoestische titelnummer eindigt het album met een mix van cello, viool, percussie en ingetogen zang.

 Voeg de meesterlijke mix van Chris Collier daaraan toe en het resultaat is heerlijke klassieke hardrock uit de jaren ’70/’80 met de kracht van 2021. Dit project is vergelijkbaar met het excellente Level 10 – Chapter One (2012) van hetzelfde label, waar Russell Allen werd gekoppeld aan de gitaristen en ritmesectie van Primal Fear.

 Hoekstra laat hier (wederom) zien en horen dat hij een van de betere melodieuze rockgitaristen op dit moment is. Mooi album!

 


Inglorious – We Will Ride

Jaar van Release: 2021

Label: Frontiers Music

Niemand zal mij kunnen beschuldigen van onpartijdigheid wat betreft Inglorious. De band rond vocale krachtpatser Nathan James. Want niemand verwachtte dat dit jonge zooitje ongeregeld zo’n goeie en old school bluesy hardrock ging brengen. Een ware revelatie.

We Will Ride kwam er niet zonder slag of stoot. Na de opnames van het vorige album Ride to Nowhere zat het niet helemaal lekker. Waarschijnlijk ook al tijdens de opnames, want ondanks dat het een goed album was, waren de eerste twee albums simpelweg geweldig. Het verschil in niveau was ondanks de kwaliteit wel te merken. Nieuwkomers Danny de la Cruz & Dan Stevens (beide gitaar) en Vinnie Colla (bas) completeerde de band naast zanger Nathan James en drummer Phil Beaver waarmee ze meteen een nieuwe wind door de band joegen en dat is te merken aan hun nieuwe langspeler. Het Engelse klassieke rockvehikel rondom superstrot Nathan James is toe aan album nummer vier in zes jaar tijd. De heer James is wellicht niet de meest makkelijke om mee samen te werken? Hopelijk houdt hij het met zijn huidige collega’s wat langer vol, want die zijn toch medeverantwoordelijk voor wat ik hun meest volwassen en eigenlijk gewoon beste release tot nu toe vind. Met name de pas 21-jarige gitarist Danny Dela Cruz is een enorm talent en verrijkt elke song met sprankelend zes snarenwerk.

Voor het eerst werd er gewerkt met een echte producer, Romesh Gogandoda (o.a. Bullet For My Valentine, Motörhead), in plaats alleen een mixer (Kevin Shirley deed de vorige twee albums). Een goeie zet, want het geluid is transparant, fris en vermoeit geen moment de trommelvliezen. Muzikaal blijft het een mix van invloeden uit Deep Purple, Bad Company en een snufje Zeppelin, waarbij Nathan’s stem wel wat raakvlakken heeft met een iets hoger zingende Coverdale. De reden dat ook hij af en toe bij Tans-Siberian Orchestra mee toert. De liefhebbers weten genoeg. De elf songs zijn allemaal van een prima constant niveau, zonder veel uitschieters of tegenvallers. En ook al zijn de bewandelde paden over het algemeen wat platgetreden, zoals vrijwel altijd in dit classic rockgenre, het heeft net genoeg eigen smoelwerk om op te vallen.

Het riff-heavy en snelle ‘She Won’t Let You Go’ als opener is lekker in-your-face en heeft mooie zanglijnen en een dito refrein. Terechte eerste single dus. Dela Cruz overtuigt meteen met zijn eerste vingervlugge solo. ‘Messiah’ is wat melodieuzer en valt vooral op door de ingetogen coupletten, waarna het heavy refrein er des te lekkerder in knalt. Fijne song! Wat Zeppelin en Whitesnake- invloeden horen we in het navolgende midtempo ‘Medusa’. Waarna eerste hoogtepunt ‘Eye of the Storm’ met zijn ingetogen start op het juiste moment komt, alvorens in het catchy refrein lekker los te gaan. De dynamiek binnen het nummer tilt het net even naar een hoger niveau.

De AOR-achtige ‘Cruel Intensions’ heeft een vergelijkbare opbouw en een riff die ik al vaker heb gehoord, maar de stem van Nathan en de mooi opgebouwde solo redden de song van de middelmaat. Het bluesy ‘My Misery’ ontwikkelt zich tot een episch nummer met zijn fijne gitaar- en baswerk en dat bombastische refrein vol dramatiek. Hoogtepunt nummer twee! Daarna vallen ‘Do You Like It’ en het snellere ‘He Will Provide’ helaas meer in de categorie ‘goed, maar al eerder gehoord’. Al maakt de spannende brug en navolgende prachtsolo van Dela Cruz in die laatste heel veel goed.

 Maar het venijn zit in de staart van dit album. Het zware en melodieuze ‘We Will Meet Again’ met zijn fijne intro, hakkende gitaarwerk en meezingchorus is prima. Het dynamische ‘God Of War’ is afwisseling troef, met een wat melancholisch zingende Nathan en een mooie tempoversnelling aan het eind. Het typische Inglorious nummer ‘We Will Ride’ sluit het album overtuigend af met een kamerbreed en wat donker refrein.

Kortom, een album dat weliswaar weinig verrassingen kent, maar een dusdanig hoog niveau heeft dat het geen straf is om er herhaaldelijk naar te luisteren. Per album worden ze net wat beter, dus dat belooft wat voor de toekomst.


W.E.T.- Retransmission

Jaar van Release: 2021

Label: Frontiers Music 

De supergroep W.E.T. komt in 2021 met een nieuwe plaat aanzetten. Gelouterde muzikanten hebben de krachten samengebundeld en gelukkig bleef dat niet bij ‘maar’ een album, wat we ooit wel zien bij projecten. De band maakt een melodische hardrock. Dit is het vierde album van de heren en komt net iets minder dan twee jaar na ‘Earthrage’. 

De naam W.E.T. komt van de bands waar de mannen ook in spelen/gespeeld hebben. De W komt van Work of Art, waar we Rober Såll van kennen. De E van Eclipse, daarvan is Erik Mårtensson en last but zeker not least Jeff Scott Soto’s voormalige band Talisman. Verder bestaat de groep nog uit Magnus Hendriksson, Andreas Passmark en Robban Bäck. 

In 2009 kwam het debuut uit en daarop staat tot nu toe ook hun grootste hit ‘One Love’. De muziek is heerlijke AOR met her en der een net wat pittiger randje. Ook dit nieuwe ‘Retransmission’ staat weer vol met fijne riffs, pakkende refreinen en goede solo’s. Dit is muziek die je niet zomaar uit je hoofd gaat krijgen. Vergeleken met eerder werk van de mannen kunnen we stellen dat deze plaat net een tikkie steviger is over het algemeen genomen, hij voelt verder energieker aan. Het staat werkelijk waar vol met sterke songs, waar eerdere albums af en toe nog wel eens een oké nummertje hadden, is alles op ‘Retransmission’ meer dan oké. 

Met opener ‘Big Boys Don’t Cry’ zetten ze gelijk goed in. Stevige riff en een refrein waar je niet omheen kunt. Het is er een die dagen blijft hangen. Als dan het album vordert kom je haast alleen maar nummers tegen waarbij dit het geval is. Misschien zijn het niet allemaal refreinen die blijven hangen, maar riffs, bridges zijn net zo memorabel. 

Laatste twee nummers ‘How Do I Know’ en ‘One Final Kiss’ behoren tot de beste tracks. Eerstgenoemde komt met een geniale solo. Ook ‘One Final Kiss’ heeft een sterk gitaarwerk. Beide refreinen zijn echte oorwurmen. Dit alles op een heerlijke melodie, veel beter wordt het niet. 

‘How Far To Babylon’ laat horen hoe de bas en drums een nummer kunnen dragen. Mede door de lichte tempowisselingen is dit een zeer interessant nummer geworden.

We kunnen dus wel stellen dat W.E.T. wellicht met deze plaat een van de betere AOR/melodische hardrock albums heeft afgeleverd na de hoogtijdagen van het genre. Dit is een must hear voor elke fan van melodische rock, een heuze parel. Aan het einde heb je haast geen stem meer over. Dit zal zeker niet de enige plaat worden uit het genre dit jaar, maar de heren leggen de lat in ieder geval behoorlijk hoog.


Labyrinth- Welcome To The Absurd Circus

Jaar van Release: 2021

Label: Frontiers Music

In 2016 werd het Italiaanse Labyrinth uit hun zes jaar durende opnamepauze gehaald om een ​​nieuw studioalbum te creëren, wat resulteerde in de zeer fijne Architecture of a God. Met dit album maakten de Italiaanse progressieve/power metalrockers Labyrinth een vrij triomfantelijke terugkeer, maar daarna gebeurde er niet veel. Dit werd gevolgd door Return To Live een cd/dvd-set van hun optreden op het eerste jaarlijkse Frontiers Metal Festival in 2017.

 Gitarist Olaf Thorsen maakte in 2020 een album met zanger Mark Boals (die zich op een gegeven moment zou aansluiten bij Labyrinth) onder de naam Shining Black en rond de release van dat cd-nieuws kwam naar boven dat Labyrinth ook plannen had voor een nieuw hoofdstuk in hun lange geschiedenis. Ondertussen was drummer John Macaluso vervangen door Mattia Peruzzi, maar de kern van de band (Thorsen, zanger Roberto Tiranti, mede-oprichter/gitarist Andrea Cantarelli, toetsenist Oleg Smirnoff en bassist Nik Mazzucconi) bleef intact en in de eerste maand van het nieuwe jaar voegen deze doorgewinterde veteranen nog een album toe aan hun catalogus die begon in 1996 met ‘No Limits’.

Voor de meeste metalfans behoeft Labyrinth weinig introductie. Sinds 1994 is het sextet een van de baanbrekende Italiaanse en klassieke Europese progressieve power metal bands. Returned To Heaven Denied uit 1998 wordt tot op de dag van vandaag nog steeds als een klassieker beschouwd. “Welcome To The Absurd Circus” van dit jaar is ook van een behoorlijk niveau. Zoals gewoonlijk bevat het album de bekende muzikale kenmerken van Labyrinth: de groove van power metal doordrenkt met dubbele gitaarriffharmonie en zinderende solo’s, een flinke scheut synthesizerversiering en sterke vocale arrangementen met de veelzijdige Robert Tiranti. Het is duidelijk dat de band is opgericht door twee gitaristen, Andrea Cantarelli en Olaf Thorsen, een enorme muur van riffs en stortvloed van stekelige solo’s kun je dan ook verwachten. Deze dingen zijn overvloedig aanwezig op het hele album, met indrukwekkend gitaarspel.

Vooral Roberto Tiranti is de man die de show steelt met zijn grote bereik, zijn unieke gevoel voor melodie en de manier waarop hij zich weet te bewegen tussen alle stemmingswisselingen die de elf nummers op deze plaat karakteriseren. Meestal omgeven door een metalen rand die door de stevige riffs van Thorsen en Cantarelli deze liederen hebben (stuk voor stuk) een enorme verscheidenheid en op podia ook prachtige arrangementen. Maar nooit geeft Labyrinth je de indruk dat ze verdwalen in hun eigen ‘labyrint’. Ja, de nummers zijn soms ingewikkeld, maar vanwege de super heldere productie en geluid is het allemaal vrij gemakkelijk te volgen.

Labyrinth legt ook de “kracht” in hun progressieve power metal met veel nummers die snel en zwaar zijn, zoals Live Today, The Absurd Circus en Sleepwalker. Met A Reason To Survive levert Labyrinth een klassieke metalballad met Tiranti’s fijne stem over akoestische gitaar verpakt in een symfonische synth-context. Waar Tiranti alsware zangles geeft en laat horen dat hij zijn stem helemaal onder controle heeft. Je zou verwachten dat het nummer volledig uitbarst op een bepaald moment, maar dat gebeurt niet

Het is verbazingwekkend hoe een nummer als “Live Today” of “Words Minefield” gewoon indruk maken met hun afwisseling. Dit is progressief power metal zoals het zou moeten zijn als je het mij vraagt. Zelfs de Ultravox cover “Dancing With Tears In My Eyes” klinkt prachtig in de Labyrinth-versie. Het album eindigt met een harde noot in de vorm van ‘Finally Free” waar de gitaren en het tempo van de track, laat zien dat ook op een ander vlak de kracht van Labyrinth ligt en waar toe de muziek kan ontwikkelen. Maar ook sommige delen van dit nummer zijn zeer melodisch. Dit is een album dat is heel indrukwekkend in meer dan een opzicht. Het is een fijne combinatie van sterke muzikaliteit, uitstekende zang en variatie in overvloed. Alles bij elkaar genomen is Labyrinth’s Welcome To The Absurd Circus weer een vermakelijk album met hun kenmerkende creatieve en boeiende progressieve power metal. Fans van de band en het genre mogen het niet missen. Gemakkelijk aan te bevelen.